EXCERPT — CHAPTER I

RUBEN · DE EERSTE

Het was een ochtend die zichzelf nauwelijks durfde te tonen, alsof de dag wist dat hij niet welkom was. Grijs. Aarzelend. Amsterdam wachtte op een teken dat nooit zou komen, een scheuring in de wolken, een belofte van warmte, iets dat zou rechtvaardigen waarom mensen uit bed kwamen en deden alsof alles normaal was.

Jacob Dupree stond voor de spiegel in zijn badkamer en observeerde het gezicht dat hem aanstaarde met de distantie van een vreemde die een oude kennis herkent maar niet meer kan plaatsen.

Het spiegelbeeld bleek meedogenloos. Het toonde een man van vijfenzestig die eruitzag alsof hij tien jaar ouder was, het soort veroudering dat niet van tijd kwam maar van verlies. Hij had die blik eerder gezien, in Jakarta, in de maanden nadat alles was ingestort. Het was de blik van iemand die alles had gegeven en niets had teruggekregen behalve de zekerheid dat geven niet genoeg was.

Zijn telefoon trilde op de wastafel. Het scherm lichtte op met Rubens naam, en eronder een bericht dat tegelijkertijd eenvoudig en beladen was:

Ruben
Je redt dit. Niet omdat zij je willen, maar omdat jij overeind blijft.
Bel me na afloop. — R.

Jacob staarde naar de woorden tot ze begonnen te vervagen achter iets dat verdacht veel op tranen leek.

 

Uit De Terugkeer — Jac de Gooijer